|
De raad keek naar preventiebeleid in brede zin, en daar kwam men tot de conclusie dat er een rol is weggelegd voor werkgever én werknemer. "De werkgever faciliteert. Maar ondertussen hebben werknemers de plicht om hun leven zo in te richten dat ze hun inzetbaarheid niet in gevaar brengen."
En daar gaat het wel eens mis. Want niet bij alle werknemers komt gezondheid op de eerste plaats. Slechte voeding, weinig bewegen, weinig ontspanning, veel roken, veel alcohol - het draagt niet bij aan inzetbaarheid. In dat geval mag een werkgever zijn medewerker aanspreken op zijn levensstijl. Ook als die medewerker op dat moment nog goed functioneert. "Stel, ik ben jouw leidinggevende en jij rookt en drinkt en komt ieder jaar tien kilo aan. Dan vind ik dat jij je verantwoordelijkheid niet neemt."
Er is sprake van gedeelde verantwoordelijkheid. De werknemer mag zijn inzetbaarheid niet in gevaar brengen. En de werkgever heeft de morele plicht om hem daarop te wijzen. Natuurlijk: als de medewerker dan roept dat het gaat om een privé-aangelegenheid, staat de werkgever met lege handen. Maar hij kan het in ieder geval proberen. Waarschijnlijk voer je daarna een ander gesprek: over de betekenis van wederzijdse verantwoordelijkheid en de consequentie daarvan. ' Bron: Achmea Vitale Nieuwsbrief mei 2009.
|